- Inleiding
- Kosmologieën
- Wetenschap
- Helende kracht van leem
- Leem
- Kwaliteitsproeven
- Stro
- Water
- Leembouwmetoden
- Kwaliteiten van leem
- Aardepigmenten
- Bibliografie

Leembouw Dokumentatie

AANTEKENINGEN UIT DE LEEMBOUW LITERATUUR 
pagina 2.
 
Voor verdere informatie zie bibliografie.

Helende kracht van leem:
 
Chief Seattle
Chief Seattle geeft zijn speech. Zijn gezicht is bedekt met groene klei wat gezond is voor de huid, een masker. 

Uit: De oerkracht van leem, door  Franca Siebers, 1987:
Het gaat voornamelijk over groene leem, omdat deze het krachtigst blijkt te werken op de ecologie van het menselijk lichaam. "Het is een levende stof met een hoeveelheid scheikundige verbindingen die door hun onderlinge verhouding gemakkelijk door het menselijk lichaam worden opgenomen. Behalve stoffen afgeven kan leem ook afvalprodukten in zich opnemen als een spons. De negatieve ionen van groene leem zijn in staat de positief geladen ionen van gifstoffen aan te trekken en op te nemen, zelfs radioactiviteit wordt geabsorbeerd. Wanneer leem inwendig wordt gebruikt kan het zich dagenlang hechten op de plaatsen waar zijn harmoniserende, regenerende werking is vereist. Daarom noemt men leem wel een intelligente levende stof. De grondstof van alles wat leeft." 
"Haar kracht manifesteert zich onder meer in de vruchtbare bodem voor velerlei gewassen, in aardmagnetisme, geneeskrachtige bronnen en velerlei kostbare mineralen. Zij werd vaak onderaards b.v. in grotten vereerd en donker afgebeeld. ... Vaak zijn het krachtenlijnen in de Aarde (z.g. Ley-lines) die naar zulke bedevaartplaatsen voeren met verscholen grotten en bronnen waar een veel oudere Moedergodincultus is gekerstend."

 De symboliek van Moeder Aarde; onze planeet als een levend organisme; de Aarde beschouwd als kosmiese moeder: Isis, Istar, Lilith, Astarte enz.; Oermoeder, Godin, de materie (lat. mater = moeder) waarin het goddelijke zich manifesteert; de taal laat ons vele samenhangen begrijpen. Bij de Grieken was zij Gaia of Gea, noordelijk was Nerthus, Irtha of Hertha de Aarde-Godin. De Friezen spreken van hun ‘Gea’, land, gewest. 
"Sommige filosofen ontwikkelden de opvatting dat de Planeet Aarde een levend organisme is dat in evenwicht is of hoort te zijn met haar bewoners. De Aarde als zelfregulerend organisme en de mensheid als wereldbrein. ... De vruchtbare Aarde produceert een eindeloze verscheidenheid van levensvormen. Zij neemt de gebruikte lichamen weer terug: 'energie' cirkuleert voortdurend door 'materie' en verhuist van één gedaante of toestand naar een andere. De Aarde wordt beschreven als 'de drager van de schepping', 'Gods levend gewaad', 'de vrouwelijke manifestatie van het Goddelijke'. Een onophoudelijk scheppingsproces waarin voortdurend nieuw leven ontspruit als onderdeel van de totale schepping die zich in de Kosmos voltrekt." 

"Door gebruik van kunstmest en verdelgingsmiddelen bevat ons voedsel minder mineralen dan vroeger, Allerlei chemische toevoegingen, schadelijke bijwerking van synthetische medicijnen en onnatuurlijke leefgewoonten (roken, weinig lichaamsbeweging, alcohol enz.) betekenen vaak een roofbouw op ons lichaam. Leem is een van de middelen die kunnen helpen het organisme te reinigen en het evenwicht te herstellen. Leem ontleent zijn levenskracht aan de zon, de lucht en het water. De komplexe werking van leem is proefondervindelijk bewezen, doch nog nooit volledig doorgrond of nagebootst. Wel heeft men in het laboratorium allerlei ontzagwekkende processen in klei waargenomen. De kleiwetenschappers stelden een theorie op dat niet het water - de 'oersoep of de lucht de grote oerknal' - het begin zou zijn van het leven doch dat klei de bakermat is van de hogere levensvormen."

Zand bestaat uit korrels kwarts en/of veldspaat. Zandbaden voor het gehele of deel van het lichaam worden om hun sterk transpiratie bevorderende werking gebruikt bij neuralgieën, reuma en stofwisselingsziekten of -stoornissen. ..."   

 
"Van oudsher gebruiken boeren leem vermengd met azijn of zout om wonden en ziekten van paarden, vee en huisdieren te behandelen. Bomen en planten kregen leempasta tegen wonden en ziekten. Onlangs bleek leempoeder bomen te helpen zure regen te weerstaan.Vaak waren het wilde dieren waaraan men de ontdekking van plaatsen met geneeskrachtige leem te danken had, doordat men opmerkte dat verwonde beesten zich op bepaalde plaatsen in de modder wentelden en daarop snel genazen. 
In de vorige eeuw hebben de Duitse natuurartsen Kneipp, Just en Felke veel tot de opleving van de behandeling met leem bijgedragen.
Het onderzoek naar de eigenschappen van groene leem is niet afgesloten en men neemt aan dat nog vele toepassingen mogelijk zijn. Daarbij komt bijv. de neutralisatie van schadelijke stralingen door de absorberende werking van groene leem ter sprake. Leem is zeker geen achterlijk middeleeuws middel!”
 

 

Leem:

Leem (Frans = argile; Duits = Lehm, Tonerde; Engels = loam, clay) kan rivierslib zijn, zoals de oude Egyptenaren die reeds bij de Nijl aantroffen en nog steeds overal wordt afgezet door beken, rivieren en meren. Het verweringsmatriaal dat een rivier meevoert en afzet kan bestaan uit kombinaties van zand en klei waarin een onderverdeling wordt aangebracht naar grootte van de sediments­deeltjes. Afhankelijk van de hoeveelheid klei die in zandig sediment zit geldt dat kleiïg zand tot 8% klei, zavel of zavelgrond bevat 8-25% klei, lichte klei 22-35% klei en zware klei 35-100% klei. De sedimentsdeeltjes van klei zijn kleiner dan 0,002 mm. 

LEEM

Klei of leem is afkomstig van gletsjers, rivieren of zeebodem, ofwel van vulkanen;en kan worden aangetroffen in vochtige of natte toestand, doch ook als poederachtig gesteente. Wordt verpulverd verweerd gesteente door de wind meegevoerd en afgezet, dan spreken we van löss. Leem is niets anders dan een uit klei en zand bestaand verwerings produkt van verschillende steensoorten. Klei is het bindmiddel dat het mengsel kleefkracht geeft. Verdere bijmengingen als mangaan- of ijzeroxide en kalk kleuren de leem bruin, rood of geel. De natuur biedt ons met het leem een kleefkrachtige, reeds klaar mengsel. Niet iedere leembodem levert echter de juiste menging voor het bouwen. Er is namelijk vette leem met veel klei en magere leem met weinig klei. Ze worden in twee hoofdgroepen onderscheiden: in primaire leem, die nog direkt op het moedergesteente als een laag ligt en er door verwering uit is onstaan en in leem der verplaatste aarde, die van de oorspronkelijke plaats is meegevoerd en ergens anders is afgezet. Naar voorkomen en soort voorgeschiedenis bevat de leem verschillende aandelen kiezel, zand, slik en klei, zodat het plaatselijk voorkomende leem de regionale bouwwijze bepaald.

KEILEEM

Leem kan ook in de ijstijd zijn afgezet door gletsjers en zeeën, het wordt overal ter wereld aangetroffen, dus ook  in bergen en dalen. Zo is b.v. keileem ontstaan door de werking van landijs dat in de ijstijd het materiaal onder zich heeft fijn gewreven. Stenen zijn door het ijs meegenomen en kwamen in de leem terecht, vandaar de naam keileem voor leem vermengd met keien. Sedimenten worden laag na laag afgezet. Wanneer ze verharden spreken we van sedimentsgesteenten. Zand wordt zandsteen, kalk wordt kalksteen, klei wordt schalie (= versteende klei). Klei kan leisteen worden na een eeuwenlang metamorfoseproces. De geologiese naam van kleigesteenten is Pelieten. Door röntgenonderzoek is vastgesteld dat men met vele veschillende schilferige mineralen als muscoviet, kaolin (= witte porseleinaarde), montmorilloniet (= groene leem), betoniet enz. te doen heeft, terwijl ook het fijnste slijpsel van vele andere mineralen optreedt."

PELIETEN

Leem en klei behoren tot de pelieten. In de geneeskunde behoren zij tot de peloïden en zijn grondstof voor de pelotherapie. Peloïden (Frans peloïde = op modder gelijkend) zijn door geologische omstandigheden ontstane anorganiese en organiese stoffen, die, hetzij reeds door de natuur fijnkorrelig zijn verdeeld of door eenvoudige bewerking fijn verdeeld kunnen worden. Ze komen in de natuur zowel waterhoudend als droog voor. In de geneeskunde kent men peloiden in de vorm van slijk- en modderbaden, leemverbanden, pakkingen en kompressen enz., die worden ingedeeld bij de hydrotherapie (hydro = water) of balneotherapie (balneo = bad). Tegenwoordig komt men ook de naam pelotherapie tegen.
Peloïden die door water zijn afgezet zijn veen, modder, leem, bronslijk, krijt, zand en sedimentsklei (sediment = bezinksel), door gletsjers of rivieren meegevoerd verpulverd gesteente. Het bezinksel is opgebouwd uit de zachtere, splijtbare mineralen van gesteente.

KLEI

Klei is verweerd gesteente. Door water, hitte en kou, door druk en beweging wordt gesteente in steeds kleinere deeltjes vervanderd: eerst tot kiezel, dan tot zand, tenslotte tot klei. Kleideeltjes zijn zo fijn als stof, kleine plaatjes van hooguit 0,002 mm doorsnede, die men met het blote oog niet kan waarnemen. De stoffijne kleideeltjes worden gemakkelijk door water opgenomen, meegespoeld en elders weer afgezet. Zo vindt men klei in verbinding met het moedergesteente, nog vermengd met zand en kiezel, of als fijne gelijkmatig afgezette lagen. Op weg met het water verbinden de kleideeltjes zich met andere stoffen, als ijzeroxide, kalk of organiese afvalprodukten. Zuivere onvermenge klei is wit, verschillende ijzeroxiden verven het geel, rood, bruin, groen of grijs. Sterk verontreinigde, met zand vermengde klei noemt men leem. Leembodem bevat daarnaast noch een hoog aandeel organiese stoffen en wordt daardoor vruchtbaar. Het aardrijk bevat naast humus, kalk en zand voor alles klei. Klei is over het ganse aardoppervlak verspreid. Om het als werkstof te kunnen gebruiken, moet men slechts een plaats vinden, waar het in grote concentratie aanwezig is. 

Leem is een menging van klei met fijn-zandige tot steenachtige bestanddelen. Klei als natuurlijk bindmiddel van deze toeslag bestaat uit kristalplaatjes van kleiner als 1/1000 mm grootte. Met water vormen zich vezeldunne waterfilmen tussen de plaatjes, die dan over elkaar heen glijden kunnen, zodat de leem dan glibberig aanvoelt. Verdampt het water, dan trekken zich de plaatjes tegen elkaar aan. Daarop berust de binding, verharding en vastheid van de leem. Bij de bereiding van de leem heeft het zin om het water zo gelijkmatig mogelijk te verdelen om daarmee de plaatjes zo geordend mogelijk op elkaar te laten liggen om de vastheid te verhogen. Nat bereidde leem bereikt daarmee een grotere vastheid dan de aardvochtige stampleem. Met de afgifte van het aanmaakwater aan de omgevingslucht vermindert de leem daarmee zijn volume. De slinking is des te groter hoe meer water was toegevoegd en hoe groter het kleiaandeel. Want vettere leem neemt vanwege zijn grotere inwendige oppervlakte voor dezelfde consistentie meer water op als magere. Om de slinking binnen de grenzen te houden en om scheur­vorming te voorkomen wordt het mengsel met toevoegingen (zand en stro) vermagerd. De nodige hoeveelheid toeslag is afhankelijk van het kleiaandeel in het leemmengsel. Bij lichtleembouw is het hoge stro aandeel voldoende voor de vermagering en stabilisering. 

Na het drogen blijft de zgn. evenwichtsvochtigheid (Gleichgewichtsfeuchte) in de porien van het leem. Zij wisselt met de vochtigheid van de omgevingslucht en verdampt pas na langere droging bij 120 gr. C volledig. Het chemies aan het oppervlakte van het klei-kristal gebonden kristalwater wordt pas bij het branden vanaf een temperatuur van 600 ° C afgegeven. Leem en klei worden daardoor pas tot water ongevoelige scherven (keramiek en stenen) en verliezen hun mogelijk om door water toevoeging weer in een weke plastiese toestand te veranderen.

LEEMBODEM

Het overgrote deel van de aardkorst bestaat uit leem, welke is ontstaan door verwering van veldspaatrijke steen soorten. Het gemakkelijkst herkent men een leembodem eraan, als het regenwater in kuiltjes blijft staan. 

Bergleem bouwt zich op op het oer- of sedimentsgesteente, waaruit het is ontstaan. Bergleem bevind zich in het bergland, maar ook in het Europese vlakke land. 

Berghellingleem is afgeschoven bergleem.

"Schwemmlehm", aanslibleem, (weide-, slik-, rivierleem) is een menging van oudere leem, dat door waterstromen verplaatst werd en zich in rustig water afzette. Bij donkere kleur en humus lucht is het niet bruikbaar voor de bouw. 

Slib (Duits Schlamm, Engels marshy mud) is het bezinksel in stilstaand of langzaam stromend water en het bevat anorganische zouten en in ontbinding overgegane organische bestanddelen (planten). Door rottingsprocessen kan slib ook therapeutisch nuttige hoeveelheden zwavel bevatten. 

Pottenbakkersklei of diotomeenaarde is rivierslib. 

Mineraal Slib uit vulkanische gebieden wordt ook fango genoemd b.v. fango-slib uit de Eifel of Noord-Italie. Men kent verschillende soorten Fango, genoemd naar het gebied van herkomst. Sommige komen uit nog werkende moddervulkanen, andere worden samengesteld uit gemalen tufsteen en bronwater. Deze moddersoorten blijven lang warm en geven hun warmte direct aan het zieke lichaamsdeel af. Zij zijn goed smeerbaar en zijn daarom gemak­kelijk in het gebruik. Men vindt geneeskrachtig leembezinksel bij mineraalbron­nen en geysers bv. in Nieuw Zeeland. De kleur kan o.a. bruin, wit, grijs of groen zijn. 

Slik noemt men het bezinksel aan de zeekust b.v. kalkslik en zeekrijt.

 Veen (Duits: Moor, Schwefeltorf; Frans: la tourbe, les tourbieres = veengebieden, sol tourbeux = veengronden) is een  donker koolstofrijk mengsel van min of meer vergane plantaardige restanten die, door gebrek aan zuurstof in de loop van duizenden jaren zijn verveend. Veenmodder (Duits: Moorschlamm; Frans = la boue, bain-de-boue = modderbad) bestaat uit vochtige aarde met plantendelen. Het bevat zouten, zuren, zwavel, bitumen en oestrogeen lijkende plantaardige hormonen. Naar schatting bestaat ongeveer 0.67% van het aardoppervlak uit veengrond. In tropische streken wordt geen veengrond aangetroffen, omdat ontbinding voor veengrond te snel geschiedt, evenmin in arctische gebieden. Verschillende minerale verbindingen zoals ijzer, ferrosulfaat enz. versterken de geneeskrachtige werking van veen.

 Mergel is klei met kalk. Frans; marne, mergelgroeve = marniere. Engels; marl, marl-pit. Duits; Mergelerde, Mergelgrube.
De witachtige mergel is kalkrijker, door gletschers van de ijstijd tot de rand van het Duitse Middelgebergte geschoven leem (Geschiebemergel), dat bruikbaar is als het kalkgehalte niet te hoog is.

 Het bruinige lössleem is door de verwering van löss door de uitloging van het kalkgehalte ontstaan. Het löss, het gele, kalk- en klei-houdende fijne zand, werd door de stormen van de ijstijd van het gesteente van oorsprong naar zijn huidige vindplaatsen gedragen. Lössleem heeft zeer fijn korrelige minerale toevoegingen en vaak een laag kleigehalte. 

Voor bouwdoeleinden is niet zozeer de herkomst van de leem belangrijk, dan wel de eigenschappen: de binding (kleigehalte) en de korrel grootte van de minerale toevoegingen. 

Voor de lichtleem moet de leem voldoende kleefkracht hebben, dwz. midden-vet tot vet, waardoor het de vezels goed bindt. Des te vetter de leem, des te meer kan het met water verdund worden, en des te weiniger is er van nodig. 

Grof zand en stenen verminderen de warmte isolatie van de lichtleem, omdat ze lucht verdringen, en verzwaren de verwerking. Het is daarom beter om fijn zand te benutten en stenen uit te selekteren.

HET VERKRIJGEN VAN DE LEEM

Als het matriaal op de bouwplaats is te verkrijgen bespaard dat vervoerskosten en is bijvoorbeeld met het graven van een kelder put te verkrijgen. Men moet ervoor zorgen dat het leem niet met de moederaarde wordt vermengt en liefst droog, voor de regen beschermd wordt opgeslagen. Bij het graven kan men er al voor zorgen niet te grote brokken te steken, maar liefst in dunne plakken. Op zich is het elders graven en transporteren geen al te grote kostenfaktor als het graven op het bouwterrein niet mogelijk of te omslachtig is. Ook kan men het leem bij een steenfabriek bestellen. Gedroogde en gemalen kleimeel - grond­stof voor de keramiese industrie - is wel duurder, maar heeft het voordeel dat het een goede bindkracht heeft en zich gemakkelijk laat verpappen. Deze dure  grondstof is alleen in kleine hoeveelheden aan te raden om te magere leem te versterken.

 Omdat klei door water wordt getransporteerd en op verafgelegen plaatsen wordt afgezet, vind men haar eerder op lager gelegen gebieden, dan in de bergen. De grootste afzetplaatsen zijn de meren. Water voert ook zand en kiezel mee. Door het gewicht wordt eerst de kiezel, dan het zand, en tenslotte klei afgezet. Zo kan men er van uitgaan, dat in de buurt van kiezel en zand, ergens ook klei aanwezig is. Klei vind men het gemakkelijkst waar het aardoppervlak is opgebroken en onbegroeid is: op steile hellingen, in kloven, in groeven en bouwstellingen. 
Men moet naar gespleten, gescheurd oppervlak uitzien: Klei welt als het vochtig wordt en krijgt scheuren als het droogt. Kijk naar opvallende aarde kleuren: grijs, geel, rood, bruin, blauwachtig, groenachtig. 

Waar de aarde kleverig is, kan men niet al te diep klei verwachten. Vindt men gelijkmatig, fijn stof, dan kan men aannemen, dat het met water vermengd plasties zal worden. Maakt men het nat en laat het zich tussen de vingers kneden, dan is het klei of kleiïge aarde. Klei zuigt vochtigheid aan; men krijgt droge handen, als men het aanraakt. Vaak vindt men vochtige klei als een pasta; het is kleverig en week. Vaak ligt vochtige aarde onder een grasveld of humuslaag, die het tegen uitdrogen behoedt. 

Voor het reinigen doet men als de natuur, men wast de klei er met water uit. Men lost de aarde in ruim water op en giet het in een vat. In een glazen vaas kan men het goed zien. Stenen en zand zakken eerst naar de bodem, dwz. eerst de stenen. Daarboven staat het kleiwater en bovenop drijven organiese stoffen, die lichter zijn als water. De kleideeltjes zweven enige tijd, voor ze zich afzetten; eerst de grove delen. Men schept de plantendelen af en giet de opgeloste klei in een ander vat. Dan wacht men tot de klei bezinkt. Naar de fijnheid van de delen kan het uren of dagen duren. Als het water boven de klei helder is geworden giet men het af. De kleipasta, die nog veel water bevat smeert men uit in een dunne laag om sneller te drogen. Daarna legt men de kleibrokken op een harde onderlaag om het tot fijn pulver te stampen, bijvoorbeeld met een gladde steen. Met een zeef kan men stenen en wortels uitzeven op een plastic onderlaag.

 

 

 

 

 

Kwaliteitsproeven:

Van de verschillende proeven voor de kwaliteit van leem zijn die m.b.t. sterkte niet van belang. Het is voldoende om aan te tonen, dat
- de bindkracht voldoende is,
- de verwerking niet te zwaar is. 

Voor de beoordeling van de leem, die gegraven moet worden, haalt men matriaal uit verschillende lagen, maar tenminste 50 cm diep, zodat het vrij is van humus, wortels en andere organiese stoffen. Is de leem al gegraven, dan is het voldoende om aardvochtige monsters uit het binnenste van de hoop te halen.

 PROEVEN VOOR BINDKRACHT:

Kogelproef: Stenen groter dan 1 cm worden eruitgehaald en de vers gegraven aardvochtige leem met de hand gevormt tot meerdere kogels met een doorsnede van 5 cm. Laat het zich niet vormen of valt de kogel na het drogen gemakkelijk uit elkaar, dan is de leem te mager. Kleeft hij bij het vormen aan de handen, dan is die te vet.

Valproef: De naar vindplaats gekenmerkte, aardvochtig gevormde kogels van de kogelproef, laat men in gedroogde toestand van tafelhoogte op de grond vallen. Valt de kogel in krummels en zand uit elkaar, dan is de leem te mager. Valt die in meerdere delen uit elkaar, zonder te verkruimelen, dan is die middel vet en bruikbaar. Bijft die heel, dan is de leem vet tot zeer vet en is evengoed wel bruikbaar, maar moeilijk te verwerken.

Voor een nauwkeurigere vaststelling van de bindvastheid is er de door NIEMEYER ontwikkelde en in de latere Voornorm DIN 18952 B1.2 overgenomen bindvastheids proef (Bindigkeitsprüfung). Hierin wordt de trekvastheid in stijfplastiese toestand getest. Zie verder het boek van Franz Volhard Leichtlehmbau blz. 31. 

PROEF VOOR DE VERPAPPING

(Aufschlammbarkeit) of verslijkbaarheid (?) Schlamm = slijk, modder, slik.
Omdat de leem in vloeibare vorm met het stro wordt verwerkt bepaald de verslijkbaarheid de werkbaarheid en het arbeids ritme. Magere leem laat zich in kruimelige aardvochtige toestand snel verpappen, het oplossen van vette leem geeft daarentegen problemen.
 

SLIJKPROEF (Schlammprobe):

 Men roert een handvol leem in dezelfde hoedanigheid en met hetzelfde vochtgehalte als later op de bouw in een schotel met water. Als het na enig intrekken en een beetje roeren de klompen na enige uren überhaupt niet oplossen, zijn extra werkzaamheden vereist of moet het leem machinaal geroert worden.

 
 

 

 

 


Terug naar Index

Terug naar begin Pagina Vorige Pagina 1. Volgende Pagina 3.