|
Leembouw Dokumentatie AANTEKENINGEN UIT
DE LEEMBOUW
LITERATUUR |
||||||||||||
| Helende
kracht van leem: |
|||||||||||||
|
Uit: De
oerkracht van leem, door Franca
Siebers, 1987: De symboliek van Moeder Aarde;
onze planeet als een levend organisme; de Aarde beschouwd als kosmiese
moeder: Isis, Istar, Lilith, Astarte enz.; Oermoeder, Godin, de materie
(lat. mater = moeder) waarin het goddelijke zich manifesteert; de taal
laat ons vele samenhangen begrijpen. Bij de Grieken was zij Gaia of Gea,
noordelijk was Nerthus, Irtha of Hertha de Aarde-Godin. De Friezen spreken
van hun Gea, land, gewest. "Door gebruik van kunstmest en verdelgingsmiddelen bevat ons voedsel minder mineralen dan vroeger, Allerlei chemische toevoegingen, schadelijke bijwerking van synthetische medicijnen en onnatuurlijke leefgewoonten (roken, weinig lichaamsbeweging, alcohol enz.) betekenen vaak een roofbouw op ons lichaam. Leem is een van de middelen die kunnen helpen het organisme te reinigen en het evenwicht te herstellen. Leem ontleent zijn levenskracht aan de zon, de lucht en het water. De komplexe werking van leem is proefondervindelijk bewezen, doch nog nooit volledig doorgrond of nagebootst. Wel heeft men in het laboratorium allerlei ontzagwekkende processen in klei waargenomen. De kleiwetenschappers stelden een theorie op dat niet het water - de 'oersoep of de lucht de grote oerknal' - het begin zou zijn van het leven doch dat klei de bakermat is van de hogere levensvormen." Zand
bestaat uit korrels kwarts en/of veldspaat. Zandbaden
voor het gehele of deel van het lichaam worden om hun sterk transpiratie
bevorderende werking gebruikt bij neuralgieën, reuma en
stofwisselingsziekten of -stoornissen. ..." |
||||||||||||
| "Van oudsher gebruiken boeren
leem vermengd met azijn of zout om wonden en ziekten van paarden, vee en
huisdieren te behandelen. Bomen en planten kregen leempasta tegen wonden
en ziekten. Onlangs bleek leempoeder bomen te helpen zure regen te
weerstaan.Vaak waren
het wilde dieren waaraan men de ontdekking van plaatsen met
geneeskrachtige leem te danken had, doordat men opmerkte dat verwonde
beesten zich op bepaalde plaatsen in de modder wentelden en daarop snel
genazen. In de vorige eeuw hebben de Duitse natuurartsen Kneipp, Just en Felke veel tot de opleving van de behandeling met leem bijgedragen. Het onderzoek naar de eigenschappen van groene leem is niet afgesloten en men neemt aan dat nog vele toepassingen mogelijk zijn. Daarbij komt bijv. de neutralisatie van schadelijke stralingen door de absorberende werking van groene leem ter sprake. Leem is zeker geen achterlijk middeleeuws middel! |
|||||||||||||
|
|
|||||||||||||
| Leem: |
|||||||||||||
|
Leem (Frans = argile; Duits = Lehm, Tonerde; Engels = loam, clay) kan rivierslib zijn, zoals de oude Egyptenaren die reeds bij de Nijl aantroffen en nog steeds overal wordt afgezet door beken, rivieren en meren. Het verweringsmatriaal dat een rivier meevoert en afzet kan bestaan uit kombinaties van zand en klei waarin een onderverdeling wordt aangebracht naar grootte van de sedimentsdeeltjes. Afhankelijk van de hoeveelheid klei die in zandig sediment zit geldt dat kleiïg zand tot 8% klei, zavel of zavelgrond bevat 8-25% klei, lichte klei 22-35% klei en zware klei 35-100% klei. De sedimentsdeeltjes van klei zijn kleiner dan 0,002 mm. |
LEEM Klei of leem is afkomstig van gletsjers, rivieren of zeebodem, ofwel van vulkanen;en kan worden aangetroffen in vochtige of natte toestand, doch ook als poederachtig gesteente. Wordt verpulverd verweerd gesteente door de wind meegevoerd en afgezet, dan spreken we van löss. Leem is niets anders dan een uit klei en zand bestaand verwerings produkt van verschillende steensoorten. Klei is het bindmiddel dat het mengsel kleefkracht geeft. Verdere bijmengingen als mangaan- of ijzeroxide en kalk kleuren de leem bruin, rood of geel. De natuur biedt ons met het leem een kleefkrachtige, reeds klaar mengsel. Niet iedere leembodem levert echter de juiste menging voor het bouwen. Er is namelijk vette leem met veel klei en magere leem met weinig klei. Ze worden in twee hoofdgroepen onderscheiden: in primaire leem, die nog direkt op het moedergesteente als een laag ligt en er door verwering uit is onstaan en in leem der verplaatste aarde, die van de oorspronkelijke plaats is meegevoerd en ergens anders is afgezet. Naar voorkomen en soort voorgeschiedenis bevat de leem verschillende aandelen kiezel, zand, slik en klei, zodat het plaatselijk voorkomende leem de regionale bouwwijze bepaald. Leem kan ook in de ijstijd zijn afgezet door gletsjers en zeeën, het wordt overal ter wereld aangetroffen, dus ook in bergen en dalen. Zo is b.v. keileem ontstaan door de werking van landijs dat in de ijstijd het materiaal onder zich heeft fijn gewreven. Stenen zijn door het ijs meegenomen en kwamen in de leem terecht, vandaar de naam keileem voor leem vermengd met keien. Sedimenten worden laag na laag afgezet. Wanneer ze verharden spreken we van sedimentsgesteenten. Zand wordt zandsteen, kalk wordt kalksteen, klei wordt schalie (= versteende klei). Klei kan leisteen worden na een eeuwenlang metamorfoseproces. De geologiese naam van kleigesteenten is Pelieten. Door röntgenonderzoek is vastgesteld dat men met vele veschillende schilferige mineralen als muscoviet, kaolin (= witte porseleinaarde), montmorilloniet (= groene leem), betoniet enz. te doen heeft, terwijl ook het fijnste slijpsel van vele andere mineralen optreedt." Leem en klei behoren tot de pelieten.
In de geneeskunde behoren zij tot de peloïden en zijn grondstof voor de
pelotherapie. Peloïden (Frans peloïde = op modder
gelijkend) zijn door geologische omstandigheden ontstane anorganiese en
organiese stoffen, die, hetzij reeds door de natuur fijnkorrelig zijn
verdeeld of door eenvoudige bewerking fijn verdeeld kunnen worden. Ze
komen in de natuur zowel waterhoudend als droog voor. In de geneeskunde
kent men peloiden in de vorm van slijk- en modderbaden, leemverbanden,
pakkingen en kompressen enz., die worden ingedeeld bij de hydrotherapie
(hydro = water) of balneotherapie (balneo = bad). Tegenwoordig komt men
ook de naam pelotherapie tegen. Klei is verweerd gesteente. Door
water, hitte en kou, door druk en beweging wordt gesteente in steeds
kleinere deeltjes vervanderd: eerst tot kiezel, dan tot zand, tenslotte
tot klei. Kleideeltjes zijn zo fijn als stof, kleine plaatjes van hooguit
0,002 mm doorsnede, die men met het blote oog niet kan waarnemen. De
stoffijne kleideeltjes worden gemakkelijk door water opgenomen,
meegespoeld en elders weer afgezet. Zo vindt men klei in verbinding met
het moedergesteente, nog vermengd met zand en kiezel, of als fijne
gelijkmatig afgezette lagen. Op weg met het water
verbinden de kleideeltjes zich met andere stoffen, als ijzeroxide, kalk of
organiese afvalprodukten. Zuivere onvermenge klei is wit, verschillende
ijzeroxiden verven het geel, rood, bruin, groen of grijs. Sterk
verontreinigde, met zand vermengde klei noemt men leem.
Leembodem bevat daarnaast noch een hoog aandeel organiese stoffen en wordt
daardoor vruchtbaar. Het aardrijk bevat naast humus, kalk en zand voor
alles klei. Klei is over het ganse aardoppervlak verspreid. Om het als
werkstof te kunnen gebruiken, moet men slechts een plaats vinden, waar het
in grote concentratie aanwezig is. Leem is een menging van klei met
fijn-zandige tot steenachtige bestanddelen. Klei als natuurlijk bindmiddel
van deze toeslag bestaat uit kristalplaatjes van kleiner als 1/1000 mm
grootte. Met water vormen zich vezeldunne waterfilmen tussen de plaatjes,
die dan over elkaar heen glijden kunnen, zodat de leem dan glibberig
aanvoelt. Verdampt het water, dan trekken zich de plaatjes tegen elkaar
aan. Daarop berust de binding, verharding en vastheid van de leem. Bij de
bereiding van de leem heeft het zin om het water zo gelijkmatig mogelijk
te verdelen om daarmee de plaatjes zo geordend mogelijk op elkaar te laten
liggen om de vastheid te verhogen. Nat bereidde leem bereikt daarmee een
grotere vastheid dan de aardvochtige stampleem. Met de afgifte van het
aanmaakwater aan de omgevingslucht vermindert de leem daarmee zijn volume.
De slinking is des te groter hoe
meer water was toegevoegd en hoe groter het kleiaandeel. Want vettere leem
neemt vanwege zijn grotere inwendige oppervlakte voor dezelfde
consistentie meer water op als magere. Om de slinking binnen de grenzen te
houden en om scheurvorming te voorkomen wordt het mengsel met
toevoegingen (zand en stro) vermagerd. De nodige hoeveelheid toeslag
is afhankelijk van het kleiaandeel in het leemmengsel. Bij lichtleembouw
is het hoge stro aandeel voldoende voor de vermagering en stabilisering. Na het drogen blijft de zgn. evenwichtsvochtigheid (Gleichgewichtsfeuchte) in de porien van het leem. Zij wisselt met de vochtigheid van de omgevingslucht en verdampt pas na langere droging bij 120 gr. C volledig. Het chemies aan het oppervlakte van het klei-kristal gebonden kristalwater wordt pas bij het branden vanaf een temperatuur van 600 ° C afgegeven. Leem en klei worden daardoor pas tot water ongevoelige scherven (keramiek en stenen) en verliezen hun mogelijk om door water toevoeging weer in een weke plastiese toestand te veranderen. Het overgrote deel van de aardkorst
bestaat uit leem, welke is ontstaan door verwering van veldspaatrijke
steen soorten. Het gemakkelijkst herkent men een leembodem
eraan, als het regenwater in kuiltjes blijft staan. Bergleem
bouwt zich op op het oer- of sedimentsgesteente, waaruit het is ontstaan.
Bergleem bevind zich in het bergland, maar ook in het Europese vlakke
land. Berghellingleem is afgeschoven bergleem. "Schwemmlehm",
aanslibleem, (weide-, slik-, rivierleem) is een menging van oudere leem,
dat door waterstromen verplaatst werd en zich in rustig water afzette. Bij
donkere kleur en humus lucht is het niet bruikbaar voor de bouw. Slib
(Duits Schlamm, Engels marshy mud) is het
bezinksel in stilstaand of langzaam stromend water en het bevat
anorganische zouten en in ontbinding overgegane organische bestanddelen (planten).
Door rottingsprocessen kan slib ook therapeutisch nuttige hoeveelheden
zwavel bevatten. Pottenbakkersklei
of diotomeenaarde is rivierslib. Mineraal
Slib uit vulkanische gebieden wordt ook fango
genoemd b.v. fango-slib uit de Eifel of Noord-Italie. Men kent
verschillende soorten Fango, genoemd naar het gebied van herkomst. Sommige
komen uit nog werkende moddervulkanen, andere worden samengesteld uit
gemalen tufsteen en bronwater. Deze moddersoorten blijven lang warm en
geven hun warmte direct aan het zieke lichaamsdeel af. Zij zijn goed
smeerbaar en zijn daarom gemakkelijk in het gebruik. Men vindt
geneeskrachtig leembezinksel bij mineraalbronnen en geysers bv. in Nieuw
Zeeland. De kleur kan o.a. bruin, wit, grijs of groen zijn. Slik noemt men het bezinksel aan de zeekust b.v. kalkslik en zeekrijt. Veen (Duits: Moor, Schwefeltorf; Frans: la tourbe, les tourbieres = veengebieden, sol tourbeux = veengronden) is een donker koolstofrijk mengsel van min of meer vergane plantaardige restanten die, door gebrek aan zuurstof in de loop van duizenden jaren zijn verveend. Veenmodder (Duits: Moorschlamm; Frans = la boue, bain-de-boue = modderbad) bestaat uit vochtige aarde met plantendelen. Het bevat zouten, zuren, zwavel, bitumen en oestrogeen lijkende plantaardige hormonen. Naar schatting bestaat ongeveer 0.67% van het aardoppervlak uit veengrond. In tropische streken wordt geen veengrond aangetroffen, omdat ontbinding voor veengrond te snel geschiedt, evenmin in arctische gebieden. Verschillende minerale verbindingen zoals ijzer, ferrosulfaat enz. versterken de geneeskrachtige werking van veen. Mergel
is klei met kalk. Frans; marne, mergelgroeve =
marniere. Engels; marl, marl-pit. Duits; Mergelerde, Mergelgrube. Het bruinige lössleem is door de verwering van löss door de uitloging van het
kalkgehalte ontstaan. Het löss, het gele, kalk- en klei-houdende fijne
zand, werd door de stormen van de ijstijd van het gesteente van oorsprong
naar zijn huidige vindplaatsen gedragen. Lössleem heeft zeer fijn
korrelige minerale toevoegingen en vaak een laag kleigehalte. Voor bouwdoeleinden is niet zozeer de
herkomst van de leem belangrijk, dan wel de eigenschappen: de binding (kleigehalte)
en de korrel grootte van de minerale toevoegingen. Voor de lichtleem moet de leem
voldoende kleefkracht hebben, dwz. midden-vet tot vet, waardoor het de
vezels goed bindt. Des te vetter de leem, des te meer kan het met water
verdund worden, en des te weiniger is er van nodig. Grof zand en stenen verminderen de warmte isolatie van de lichtleem, omdat ze lucht verdringen, en verzwaren de verwerking. Het is daarom beter om fijn zand te benutten en stenen uit te selekteren. |
||||||||||||
|
Als het matriaal op de bouwplaats is te verkrijgen bespaard dat vervoerskosten en is bijvoorbeeld met het graven van een kelder put te verkrijgen. Men moet ervoor zorgen dat het leem niet met de moederaarde wordt vermengt en liefst droog, voor de regen beschermd wordt opgeslagen. Bij het graven kan men er al voor zorgen niet te grote brokken te steken, maar liefst in dunne plakken. Op zich is het elders graven en transporteren geen al te grote kostenfaktor als het graven op het bouwterrein niet mogelijk of te omslachtig is. Ook kan men het leem bij een steenfabriek bestellen. Gedroogde en gemalen kleimeel - grondstof voor de keramiese industrie - is wel duurder, maar heeft het voordeel dat het een goede bindkracht heeft en zich gemakkelijk laat verpappen. Deze dure grondstof is alleen in kleine hoeveelheden aan te raden om te magere leem te versterken. Omdat klei door water wordt
getransporteerd en op verafgelegen plaatsen wordt afgezet, vind men haar
eerder op lager gelegen gebieden, dan in de bergen. De grootste
afzetplaatsen zijn de meren. Water voert ook zand en kiezel mee. Door het
gewicht wordt eerst de kiezel, dan het zand, en tenslotte klei afgezet. Zo
kan men er van uitgaan, dat in de buurt van kiezel en zand, ergens ook
klei aanwezig is. Klei vind men het gemakkelijkst waar het aardoppervlak
is opgebroken en onbegroeid is: op steile hellingen, in kloven, in groeven
en bouwstellingen. Waar de aarde kleverig is, kan men
niet al te diep klei verwachten. Vindt men gelijkmatig, fijn stof, dan kan
men aannemen, dat het met water vermengd plasties zal worden. Maakt men
het nat en laat het zich tussen de vingers kneden, dan is het klei of kleiïge
aarde. Klei zuigt vochtigheid aan; men krijgt droge handen, als men het
aanraakt. Vaak vindt men vochtige klei als een pasta; het is kleverig en
week. Vaak ligt vochtige aarde onder een grasveld of humuslaag, die het
tegen uitdrogen behoedt.
|
|||||||||||||
|
|
|||||||||||||
|
|
|||||||||||||
| Kwaliteitsproeven:
|
|||||||||||||
|
Van de verschillende proeven voor
de kwaliteit van leem zijn die m.b.t. sterkte niet van belang. Het is
voldoende om aan te tonen, dat Voor de beoordeling van de leem, die gegraven moet worden, haalt men matriaal uit verschillende lagen, maar tenminste 50 cm diep, zodat het vrij is van humus, wortels en andere organiese stoffen. Is de leem al gegraven, dan is het voldoende om aardvochtige monsters uit het binnenste van de hoop te halen. |
Kogelproef: Stenen groter dan 1 cm worden eruitgehaald en de vers gegraven aardvochtige leem met de hand gevormt tot meerdere kogels met een doorsnede van 5 cm. Laat het zich niet vormen of valt de kogel na het drogen gemakkelijk uit elkaar, dan is de leem te mager. Kleeft hij bij het vormen aan de handen, dan is die te vet. Valproef: De naar vindplaats gekenmerkte, aardvochtig gevormde kogels van de kogelproef, laat men in gedroogde toestand van tafelhoogte op de grond vallen. Valt de kogel in krummels en zand uit elkaar, dan is de leem te mager. Valt die in meerdere delen uit elkaar, zonder te verkruimelen, dan is die middel vet en bruikbaar. Bijft die heel, dan is de leem vet tot zeer vet en is evengoed wel bruikbaar, maar moeilijk te verwerken. Voor een nauwkeurigere vaststelling
van de bindvastheid is er de
door NIEMEYER ontwikkelde en in de latere Voornorm DIN 18952 B1.2
overgenomen bindvastheids proef (Bindigkeitsprüfung). Hierin wordt de
trekvastheid in stijfplastiese toestand getest. Zie verder het boek van
Franz Volhard Leichtlehmbau blz. 31. (Aufschlammbarkeit) of verslijkbaarheid (?) Schlamm = slijk, modder, slik. Men roert een handvol leem in dezelfde hoedanigheid en met hetzelfde vochtgehalte als later op de bouw in een schotel met water. Als het na enig intrekken en een beetje roeren de klompen na enige uren überhaupt niet oplossen, zijn extra werkzaamheden vereist of moet het leem machinaal geroert worden. |
||||||||||||
|
|
|||||||||||||
|
|
|||||||||||||
|
|
|||||||||||||
| Terug naar begin Pagina | Vorige Pagina 1. | Volgende Pagina 3. |