 |
| Lichte stroleem, klaar voor gebruik. |
|
Voor de lichtleembouw wordt
vooral stro als toeslag gebruikt, hoewel ook andere matrialen er voor in
aanmerking komen. Het stro als bijprodukt van de landbouw is echter
goedkoop en eenvoudig te verkrijgen. Het is gemakkelijk te transporteren
in balen en ook op te slaan. De strobalen hebben ook reeds de goede stro
lengte en hoeft voor de meeste bouwdelen noch gesneden of gehakt te worden.
Door het instampen verpletteren de halmen tot een vormstabiele massa, die
ook weer snel te ontkisten zijn. Ervaring geeft aan, dat voor gestampte
wanden stabiele rogge- of wit stro de voorkeur heeft, omdat bij slapper
stro met vlakgedrukte halmen eerder zetvoegen ontstaan. Daarentegen is
voor vloer uitvullingen en voor steen en platen vervaardiging ook het
slappere gerste- of haverstro geschikt. Men moet erop letten, dat de
strobalen zonder onkruid zijn en dat het stro niet te veel geplet is. In
het algemeen is de stro kwaliteit van ronde balen het best.
De aanwezigheid van
schimmels in het stro is een niet al te groot probleem, omdat die alleen
gedijen in een vochtige omgeving en niet meer in een gedroogde wand met
gelijkgewicht vochtigheid van 2 tot 5 %. In elk geval moet men stro in het
voorjaar verkrijgen en tot het gebruik droog houden. |
|
PLASTICITEIT
Plasticiteit bezit een materiaal, dat
zich in een andere vorm laat veranderen, zonder zijn samenhang te
verliezen. De fijnste deeltjes van de klei zijn als plaatjes gevormd. In
droge toestand liggen ze ofwel los tegen elkaar aan, de klei is dan
poederig, of ze zijn in een kristalpatroon in elkaar geplakt, zodat de
klei een vaste massa vormt. Droge klei trekt water aan. De waterdeeltjes
worden daarbij tussen de kleideeltjes ingevoegd. Ze vormen tussen de
plaatjes een film, die zo elkaar vasthouden en langs elkaar glijden kunnen
als twee natte glasschijven. De oppervlakte spanning van het water houdt
ze vast. Is er te weinig water, dan kunnen ze zich niet langs elkaar
bewegen, is er te veel, dan zwemmen ze uit elkaar. Zo is er een optimale
verhouding klei water, die voor elke klei anders is. |
Klei kan moe worden, dwz. zijn
plasticiteit verliezen: Men kan een stukje klei lange tijd tussen de
vingers kneden tot het steeds korreliger wordt en tenslotte uit elkaar
valt. Door teveel beweging verliest klei zijn plastiese samenhang.
Hiervoor zijn twee reden: Ten eerste wordt door de warmte van de hand de
klei droog; ten tweede wordt door de beweging de spanning, die tussen de
plaatjes bestaat, verbroken.
Wordt de klei
of leem te droog dan kan men er vochtige doeken over leggen. Of men
laat het geheel uitdrogen en slaat het dan aan brokken, die men weer in
water inweekt. In beide gevallen heeft men geduld nodig. Men kan een
kleigroeve aanleggen. Buiten in een gat in de aarde, of binnen in een kist
van metaal. Men overgiet de kleibrokken met water en laat dit enige dagen
intrekken.
Voor het testen van de plasticiteit
maakt men een worst van zo'n 10 cm lang en maakt daar een ring van.
Scheurt de ring daarbij, dan is de klei 'kort', dwz. grofkorrelig of met
veel zand. Blijft de ring heel, dan is de klei 'lang' en zeer plasties.
Daarnaast
vind men klei, die week en plasties en kleverig is, met minder gewicht
door het vele organiese materiaal. Bij het drogen krimpt deze aanzienlijk.
Blijft deze echter goed, dan is er bij het bakken geen problemen meer te
verwachten, omdat de organiese stof verbrand en spanningen worden
opgevangen. Om deze kwaliteiten te krijgen, kan men ook houtzaagsel
toevoegen aan de klei. Hoewel deze opmerking voor de pottenbakker is
bedoeld, bestaat er ook in de leembouw een ontwikkeling van lichtleem met
houtsnippers of zaagsel. |
|
Leem, dat alleen door luchtdroging verhard en niet door
chemiese binding zoals kalk en cement, heeft als eigenschap, dat het weer
plasties wordt wanneer het met water in aanraking komt. Daardoor is het
ook kwetsbaar, wanneer het met water in aanraking komt. Daarom bestaat de
leembouw techniek voor een groot deel uit maatregelen om verstoringen door
regen en vocht te voorkomen.
|
METHODEN:
- Reparatie zoals in Afrika
gebeurt waar buitenhuid van leem wordt gemaakt
- Bescherming door waterwerende
pleisterlaag of verf, lijnolie afwerking
- Stabilisering door toevoeging
- Afwerking met waterkerende
laag
MASSIEVE BOUW:
- massieve leem met dichtheid van 1700 tot 2200 kg/m3
Belangrijkste technieken zijn:
- Leemsteen- of leemblokken-bouw
- Leemstamp-bouw
HOUTSKELETBOUW
- met leemstenen
of
- stroleem
met drooggewicht 1200 tot 1700 kg/m3
Verschillende metoden:
- Vitswerk
Volgesmeerde gevlochten matten van wilgen takken, eerst van binnen, dan
van buiten.
- Vlechtwerk
met stroleem rollen, hierdoor meer stro
toevoeging en dus beter isolerend
- Wikkelstaken
opgebouwd in groeven van stijlen, van te voren omwikkeld, of
- Staken met stroleem rollen, na plaatsing staken
omwikkeld.
LICHTLEEMBOUW
Licht-leem-bouw is een nieuwe techniek, die
vanwege de zeer goede warmte isolering bijzonder goed geschikt is voor ons
klimaat. Onder lichtleem wordt verstaan een stroleem menging van minder
dan 1200 kg/m3 tot 300 kg/m3, met midden gwicht van 600 tot 800 kg/m3.
Anders dan met massieve en stroleem metoden wordt
het leem in vloeibare toestand met het stro gemengd. Het instampen van de
vloeibare massa verreist minder tijd en werk voor het vervaardigen van
muren als het opmetselen van van te voren gemaakte leemstenen, maar is
seizoen gebonden voor het drogings proces te beginnen vroeg zomer om in de
herfst te kunnen pleisteren. Droge stenen en platen kunnen daarentegen
altijd verwerkt worden, zodat een kombinatie gunstig zou zijn, een platen
bouwwijze, om onafhankelijk te zijn van het jaargetijde.
Lichtleem is een eigentijds
bouwmatriaal op grond van bouwtechniese en bouwfysiese eigenschappen en
ook in vergelijking tot andere moderne bouwmatrialen:
- Met lichtleem kunnen alle bouwdelen boven de sokkel worden uitgevoerd, dus binnen en
buitenwanden, vloeren en dak isolering.
- De monolite, eenvoudige
bouwdelen kunnen direkt worden gepleisterd of bekleed en het matriaal
vormt een goede ondergrond voor het pleisteren.
- De zich aanpassende vulling is zonder
voegen en uit een stuk; er is geen verlies en geen afval.
- Lichtleem is tegelijk warmteisolerend,
warmteopnemend en geluidwerend
en is voldoende brandwerend. De
eigenschappen laten zich met de plaatselijke samenstelling van de bouwstof
door de stro-leem-verhouding in de gewenste richting beinvloeden.
- Warmte isolerende lichtleem (400 - 800 kg/m3) maakt het mogelijk bij
geringe wandsterkte een behagelijk ruimte klimaat met hoge ruimte temperaturen. Hoge
oppervlakte temperaturen laten een verlaagde ruimte temperatuur toe wat
stook kosten bespaard. De relatief zware massa en goede isolering
garanderen een goede overgang van de buitentemperatuur en een gelijkmatige
binnentemperatuur.
- Goede warmte opslag en
geluidswering - voor binnen bouwdelen gewenst - kan door
een groter leem aandeel worden bereikt.
- De brandwerendheid wordt
bereikt, doordat de op zich brandbare matrialen door het niet brandbare leem worden omhuld. Gepleisterde lichtleem
heeft vuur remmende eigenschappen.
- Lichtleem is vochtopnemend en -afgevend. Door goede diffusie-mogelijkheid en
geringe gelijkgewicht-vochtigheid (Diffusionsfahigkeit/
Gleichgewichtsfeuchte) zijn de wanden bijna steed droog en bewaren hun
warmteisolerend vermogen.
- Leem en stro zijn algemeen voorhanden - niet giftig, ook bij aanraking en zonder
bijwerkingen.
- Matriaal kosten zijn gering.
In vergelijking met massieve leembouwwijzen is minder dan de helft van de
leem nodig, zodat ook het transport naar de bouwplaats een geringer
probleem is.
- Het verwerken is gemakkelijk
te leren en leent zich daarom voor zelfbouw. Slecht weinige eenvoudige
werktuigen zijn benodigd. In tegenstelling tot dragende leembouw metoden
zijn de zelfhulp werkzaamheden bij een klaar houtskelet beperkt en niet
van invloed op de stabiliteit van het gebouw.
- Met het gebruik van bouwmachinen kan de tijdsduur worden beperkt, zodat met de gangbare
lonen de bouwwijze concurerend kan zijn.
|