|
|
LUCHTVOCHTIGHEID
Leem reguleert de luchtvochtigheid van een vertrek en draagt zo bij aan
een gezond ruimteklimaat. Onderzoekingen aan het Forschungslabor für
Experimentelles Bauen (FEB) aan de Universiteit van Kassel hebben
uitgewezen, dat leemstenen, zgn. groenlingen, 30 maal zoveel vocht opnemen
als gebakken stenen, als de luchtvochtigheid van 50% tot 80%
stijgt. De leemstenen bereiken bij een luchtvochtigheid van 95% na
30 tot 60 dagen een maximale vochtigheid van 5 tot 7% (gelijkgewichtvochtigheid).
Ook na een opslag van 6 maanden in een ruimte met ongeveer 95%
luchtvochtigheid werden de stenen niet zacht. Dit zou pas bij een
watergehalte van 11 - 15% gebeuren. Metingen in een woonhuis in Kassel
over een periode van 5 jaar wezen uit, dat de luchtvochtigheid konstant
bleef over het hele jaar. Zij bedroeg gemiddeld 50% met zwenkingen van 5%.
Deze konstante luchtvochtigheid geeft een aangenaam en gezond woonklimaat.
Ze verhindert het uitdrogen van de
slijmvliezen, reduceert de vorming van fijn stof in de lucht en voorkomt
daarmee verkoudheidsverschijnselen.
Bij een geringere luchtvochtigheid
dan 40% droogt de slijmvlieshuid, waarmee de gevoeligheid voor verkoudheid
toeneemt, omdat de reinigingsfunktie van de luchtkanalen afneemt. Een
uitgedroogde luchtpijp heeft een verkorst slijmvlies, dat de kleefwerking
verliest om het stof op te nemen. Bovendien wordt het slijmvlies
onderbroken, waardoor het niet meer in staat is om de stofdeeltjes af te
voeren. Een hoge vochtigheid heeft vele positieve invloeden op de
behagelijkheid van het ruimteklimaat: Het vermindert het gehalte fijn stof,
activeert de afweer van de huid tegenover microben, vermindert de
levensduur van vele bacteriën en virussen, vermindert kwalijke geuren en
vermijdt een storende electrostatiese oplading in de ruimte.
Een luchtvochtigheid van hoger dan
70% wordt echter ook als onaangenaam ervaren, vermoedelijk doordat warme
vochtige lucht de opname van zuurstof in het bloed vermindert.
Ten onrechte neemt men aan, dat de
droge lucht in ruimten door de soort verwarming ontstaat. Dit zou ontstaan
door het ventileren van koude droge buitenlucht. Deze relatieve
luchtvochtigheid neemt sterk af door het opwarmen van de lucht. Wordt
bijvoorbeeld de buitenlucht van 0°C en 60% relatieve vochtigheid of -5°C
en 80% tot 20°C opgewarmt, dan daalt de relatieve vochtigheid tot 20%.
WARMTEOPNAMEVERMOGEN
Leem heeft het vermogen, hoe zwaarder hoe meer, om warmte op te slaan en
vast te houden en die warmte weer langzaam aan de ruimte af te staan.
WARMTEISOLERING
Lichte stroleem heeft een goed warmte isolerend vermogen, hoe lichter hoe
beter. |
|

Aarde monsters uit grot in Ibiza, Spanje.
BEREIDEN VAN
AARDVERVEN:
De verzamelde aarde moet gedroogd; uitgespreid op absorberend oppervlak,
bij. krant, jute of ander weefsel en in zon gelegd, of in werkplaats laten
drogen. Bij kunstmatige verhitting, bijv. oven, voorzichtig, want sommige
kleurstoffen veranderen van kleur boven 135°C. Na het drogen kan het
worden gezeefd door grove zeef van metaalgaas of gewone meelzeef om grote
humusdeeltjes of grint te verwijderen.
Wassen is niet persé noodzakelijk.
Verwijderen van onzuiverheden door zgn. levigatie; een pigment wordt
gemengd met water om een dunne pap of 'brij' te maken. Het mengsel uren of
dagen laten bezinken. Het zand en zwaardere materialen gaat naar de bodem;
humus en andere lichte materialen drijven bovenop en kunnen verwijderd. De
laag van fijnere materiaal die in suspensie blijft, wordt van het zand
afgegoten en het proces herhaald. Bij iedere herhaling wordt de kleurstof
verder verfijnd totdat alleen de fijste deeltjes overblijven.
Zie 17e eeuwse Chinese handboek voor het schilderen: Mosterdzaadtuin
Schildershandboek.
Eenvoudiger is het wassen door het
aardepigment in een ondiepe schaal met water te overgieten en te roeren.
De aarde bezinkt en lichtere materialen komen boven drijven, die kunnen
worden afgeschept. Het water kan worden afgezogen met een pipet en de
aarde gedroogd alvorens te verpulveren en verder te verfijnen.
|
OKERS EN
SIENNA'S (RAUW OF NATUREL):
Behoren tot de aardeverven en zijn redelijk goedkoop; de lichtechtheid is
uitstekend. Echte felle of stralende gelen zijn het echter niet; ze neigen
sterk naar de bruine kant. Toch preferen veel schilders deze kleuren als
menggeel in plaats van de al te felle "echte" gelen. Ook puur
gebruik zijn het waardevolle kleuren die vaak op geen enkel palet
ontbreken.
LIMONIET
(2 Fe2O3.H2O
tot Fe2O3.4H2O) zijn gele en
bruine ijzeroxyde pigmenten. Limoniet is een ijzerhoudend ijzeroxyde; dwz.
het bevat chemies gebonden water. Limoniet ertsen zijn bekend onder
verschillende namen: 'ijzeroer', 'bruin bloedsteen', bruin erts' en 'oker'.
Hoe ook genoemd, het erts levert kleurstoffen op die in kleur variëren
van lichtgeel tot bruinachtig zwart. Deze kleuren zijn bekend als 'oker',
'sienna' en 'omber'. Natuurlijk
geeloxyde (helder geel) wordt in Zuid-Afrika gevonden met 54 % Fe2O3, zgn. Afrikaans
oker, en in India, zgn. Indies oker. Oker (licht- tot donkergeel) vindt
men in Frankrijk met 20 % Fe2O3
van de hoogste kwaliteit, helderder dan de Amerikaanse oker, die sinds
1877 wordt gewonnen in Georgia met 54 % Fe2O3
evenals in Virginia. Sienna (middel- tot donkergeel), oorspronkelijk
'terra di Siena', komt uit Italië met 51 % Fe2O3,
evenals uit de U.S..
OKER
Oker wordt als algemene term gebruikt om een brede reeks van gele en rode
kleuren te beschrijven. De term wordt vandaag gebruikt om een bepaalde
kleurgewaarwording te beschrijven, namelijk die welke bekend staat als 'gele
oker'. Oker bestaat voor het grootste gedeelte uit klei, doordrongen met
waterhoudend ijzeroxyde. Afhankelijk van de aanwezige hoeveelheid ijzer
kan de kleur variëren van lichtgeel via oranje tot roodachtig bruin.
Commercieel gebruikte okerkleuren bevatten 17 tot 60 % Fe2O3.
Franse okers, de meest geliefde, bevatten 17 tot 24 % Fe2O3.
SIENNA
Naarmate het ijzeroxyde gehalte toeneemt, verandert de tint van oker in
sienna, een kleurstof die eens bekend stond als terra
di Siena. Deze kleurstof moet 40 tot 70 % Fe2O3 bevatten. Sienna's
zijn meer doorschijnend dan de ondoorschijnende okers en worden dikwijls
eerder gebruikt als verfstoffen dan als pigmenten. Het gele limoniet dat
in Siena, Italië, wordt gewonnen, heeft een Fe2O3-gehalte van meer
dan 50 % en bevat gemengde
verbindingen, ijzersilicaten en aluminiumoxyde, die het doorschijnende
karakter verlenen aan de sienna's. Wanneer limoniet wordt blootgesteld aan
calcinering, het proces van kunstmatige verhitting tot een hoge
temperatuur, verdwijnt het kristalwater en verandert het limoniet in een
rode bloedsteen die bekend staat als 'gebrande sienna'.
Sienna's veranderen in ombers door de toevoeging van mangaanoxyde.
OMBER
Omber, een woord dat afkomstig is van het Latijnse woord umbra
dat 'schaduw' of 'duisternis' betekent, is een groenachtig tot geelachtig
bruine aarde die 45 tot 50 % Fe2O3 bevat en 8 tot 15 % MnO2.
Wanneer omber wordt gecalcineerd, verandert het ijzerhydraat in ijzeroxyde
en het resultaat, gebrande omber, is een warmer, meer roodachtig materiaal.
Omber uit Cyprus wordt als de beste beschouwd. Het bevat over het algemeen
meer mangaan en ijzer dan andere soorten.
BLOEDSTEEN
(Fe2O3)
- Rode ijzeroxydepigmenten
Bloedsteen is een watervrij ijzeroxyde dat geen kristalwater bevat. Om als
commerciële kleurstof te worden gebruikt moet het Fe2O3-gehalte tenminste zestig procent bedragen. De rode kleuren
vormen het merendeel van de totale hoeveelheid ijzeroxyde pigmenten die
worden gebruikt. In de laatste tijd waren bijna vijftig procent van de
natuurlijke ijzeroxyde pigmenten die in de Verenigde Staten zijn verbruikt,
rode ijzeroxyde pigmenten. Het natuurlijk roodoxyde of rood bloedsteen (licht
tot middelrood) komt uit Spanje met 85 % Fe2O3,
zgn. Spaans oxyde, uit de Perziese Golf met 72 % de helderste van de rode
oxydes en uit New York met grote ertslagen met 56 % Fe2O3.
Gebrande sienna (oranjerood) uit
verkalkte limoniet komt uit Italië met 72 % Fe2O3
en ook uit de U.S.. Calcinering zet limoniet om in rode bloedsteen. |
|
|
- Hofmann, Angelika: TON, Finden - Formen - Brennen, DuMont Buchverlag Köln, 1982.
- Volhard ,Franz: Leichtlehmbau, alter Baustoff - neue Technik, Verlag C.F.Müller,
Karlsruhe, 4de druk 1990, 1ste
1983.
- Siebers,
Franca: De oerkracht van leem,
1987.
- Thomas, Ann Wall: Aardverven voor de kunstenaar, Herkomst en receptuur, 1981, Gaade
Amerongen; oorspr. titel: Colors
from the Earth, 1981.
- Minke, Gernot: Lehm-Handbuch: der Baustoff Lehm und seine Anwendung, ökobuch
Verlag, Staufen bei Freiburg, 1994.
- Leszner, Tamara; Ingolf Stein :
Lehm-Fachwerk, Alte Technik - neu entdeckt , Köln; R. Müller, 1987.
- Schillberg, Klaus; Heinz Knieriemen:
Naturbaustoff Lehm, Moderne
Lehmbautechnik in der Praxis - bauen und sanieren mit Naturmaterialen,
AT Verlag Aarau/ Schweiz.
- Niemeyer, Richard: Der Lehmbau und seine praktische Anwendung, ökobuch Verlag, Staufen,
1990.
- Dethier, Jean (ed.): Down to earth, Adobe Architecture: an old idea, a new future, org.: Des
Architecture de Terre 1981, Thames and Hudson Ltd, London, 1982.
- Bourgeois, Jean-Louis: Spectacular Vernacular, the adobe tradition, Aperture Foundation,
Inc., 1989.
- Khalili, Nader: Ceramic Houses & Earth Architecture, How to Build Your Own,
Burning Gate Press, Los Angeles, 1986.
- McHenry, Paul Graham jr.: Adobe
and Rammed Earth Buildings, Design and Construction, The University of
Arizona Press, 1984. Adobe, Build It Yourself, The University of Arizona Press,
1985.
|